De Vloek van Zee & Maan en Jan Willem Boehmer

Verjaardag ir. Jan Willem Boehmer (77)

Ir. Boehmer, deskundige op het gebied van grondmechanica, verdiepte zich in de gecombineerde werking van zee, maan, maanstand en getijden op de conditie van onze dijken.

De gepensioneerd ingenieur maakte van de watersnoodramp van 1953 zijn eigen Coldcase-zaak.

Geheimgehouden (!)  archieven van de watersnoodramp van 1953 diepte hij op, nabestaanden van slachtoffers werden geïnterviewd en talloze boeken, verslagen en kranten uit die tijd werden tot in detail uitgeplozen.

De privéspeurder leefde zich ook in hoe de toenmalige premier Willem Drees en zijn minister van binnenlandse zaken Louis Joseph Maria Beel een controverse moeten hebben gehad over de besteding van de schaarse begrotingsgelden, zo kort na de oorlog en de watersnoodramp van 1953.

De inzet van die strijd was volgens Boehmer ‘alles investeren in de beveiliging van het land tegen het water, of ook een deel reserveren voor de oudedagsvoorziening, in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW)’.

De ‘rode’ regeringsleider wilde hoe dan ook die nieuwe sociale verworvenheid voor de burger op zijn conto kunnen bijschrijven.

Het werd van beide een beetje.

“Catastrofaal voor het Deltaplan”, aldus Boehmer, die er zelf aan meewerkte. “Riviermondingen hadden moeten worden afgesloten. Dat had hommeles betekend met de havensteden Antwerpen en Rotterdam. Maar zoals het nu is, rammelt het aan alle kanten.”

Met zijn vernietigende conclusies valt Boehmer niet alleen zijn collega’s uit zijn dienstjaren bij Rijkswaterstaat af, maar ontziet hij ook zichzelf niet.

Uit zijn herinneringen wordt duidelijk dat er bij Rijkswaterstaat en de Deltadienst zozeer werd geleden aan tunnelvisies en gebrek aan zelfkritiek “dat het was alsof we collectief in coma waren geraakt”.

Pas jaren na zijn pensionering ontwaakte Boehmer.

De Hagenaar gooide in de loop der jaren meer dan eens de knuppel in het hoenderhok door mee te werken aan krantenpublicaties waarin de zwakheden van onze kust- en rivierbescherming werden blootgelegd.

Hij introduceerde de term ‘Watergevaar van Onderen’ om beeldend duidelijk te maken dat de veronderstelling niet deugt dat er alleen door overspoeling van dijken slachtoffers vallen. Het leed is dan vaak al geschied. Dijken kunnen door ‘onderspoeling’ als een plumpudding ineenzakken”.

Rijkswaterstaat schoot in een kramp toen Boehmer op de voorpagina van een landelijk dagblad de betrouwbaarheid van de Oosterscheldekering – een van de projecten waaraan hij zelf meewerkte – in twijfel trok.

Er was echter ondubbelzinnig bewijs voor die bewering. In de aanbesteding gericht aan de markt voor grote hoeveelheden stenen om door bodemcorrosie diep uitgesleten kuilen bij de kering op vullen, stond die twijfel over de betrouwbaarheid door de opdrachtgever van de klus (Rijkswaterstaat) zwart op wit beschreven.

Sindsdien zorgt de naam Jan Willem Boehmer voor een schrikeffect bij alle betrokkenen die verantwoordelijk zijn voor de waterveiligheid van ons land. Met die strijd is jaarlijks een bedrag van zo’n  1,5 miljard euro gemoeid.

Alle rechten van deze uitgave berusten bij ir. Jan Willem Boehmer, Belgisch Plein 27, Den Haag D E V L O E K De vloek rolt over zijn lippen als de schreeuw van een kind om aandacht. “Verdomme, de nabestaanden hebben bijna zeventig jaar na de watersnoodramp van 1 februari 1953 toch zeker recht om eindelijk te weten wat er écht is gebeurd?!” Dat is de drijfveer van Jan Willem Boehmer om als een bezetene een groot deel van zijn leven als gepensioneerde te wijden aan het blootleggen van wat in zijn ogen het grootste schandaal is uit onze naoorlogse geschiedenis; het bewust verdraaien en verzwijgen van de feiten over de watersnoodramp van 1953 die alleen al in ons land 1836 mensen het leven kostte. Een ramp die door de mens voorkomen hád kunnen worden, is zijn heilige overtuiging na talloze uren, dagen, weken, maanden en jaren te hebben gewerkt aan het minutieus bij elkaar leggen van alle puzzelstukjes om de grote verbanden te kunnen zien wat er in die dramatische uren in de overgang van januari op februari in het prille jaar 1953 werd aangericht. Om er als het ware een reconstructie van te kunnen maken. Om recht te doen aan slachtoffers van deze en eerdere rampen en hun nabestaanden, maar vooral ook om er lering uit te kunnen trekken. Als het nu wéér gebeurt, zijn de gevolgen helemáál niet te overzien. De bevolkingsdichtheid is evenredig toegenomen met de diepte van onze verzakkende polders en de groei van onze economie, die één van de meest welvarende ter wereld is. Het zijn onverzekerbare waarden. En we gaan er achteloos mee om. COLDCASE De watersnoodramp van 1953 is de Coldcase-zaak van Jan Willem Boehmer geworden. Zoals rechercheurs van politie tot in detail de gangen nagaan van verdachten die in verband worden gebracht met een moord. Waar waren zij op het ‘moment suprême’? Wat hadden zij in de jaren ervoor allemaal op hun kerfstok en met wie spanden zij samen? Om datzelfde beeld te kunnen maken van die dramatische nacht die nog altijd zijn sporen nalaat in het dagelijkse leven van de nabestaanden van die 1836 betreurenswaardige slachtoffers heeft Boehmer tussen 27 januari 2003 en 28 september 2014 - hij weet de data 4 precies uit het hoofd - een bibliotheek aan informatie verzameld door diepgaand in gesprek te gaan met talloze getuigen, waarvan de aangrijpende verhalen hem de ogen steeds verder deden openen. Ten eerste: hoe kon het dat er al uren vóór middernacht er al ‘vroege dijkdoorbraken’ waren?’ Zettingsvloeiingen noemt Boehmer die effecten. Eerst ineenzakken, dan vloeien en doorbreken. En ten tweede: hoe kon het dat bij het breken van die eerste dijken al mensen waren verdronken? Dat bij het ‘vroeg doorbreken’ van de eerste dijken al mensen waren verdronken als gevolg van modderstromen is volgens Jan Willem Boehmer een bewust verzwegen gegeven. Hij sprak behalve met veel nabestaanden tot vervelens toe met deskundigen die dit predicaat misschien niet eens verdienen. Met schrijvers en journalisten die eerder al op zoek waren naar de waarheid, maar die niet tot de kern wisten door te dringen. Met volksvertegenwoordigers die - geen enkele uitgezonderd - hun controlerende parlementaire taak verzaken, ‘want ze zijn tot op de dag van vandaag ziende blind en horende doof voor verontrustende feiten’, is de eindconclusie van de onderzoeker. Jan Willem Boehmer is door zijn stugge vasthoudendheid niet meer voor iedereen een graag gezien persoon. Met graven naar ondeugdzame zaken win je geen populariteitsprijs. ‘Boehmer, toch niet wéér die Boehmer? Houdt die man dan nooít op?” TUNNELVISIE Nee, de midden-zeventiger, die als kleine jongen in Den Briel getuige was van de kracht van de natuur in die zwart omrande nacht en die later een deel van zijn werkzaam leven doorbracht als ingenieur in de grondmechanica bij Rijkswaterstaat zal niet rusten eer hij de volledige erkenning krijgt van zijn recherchewerk. Die missie is ook een verwerking van de zelf gemaakte fouten van vroeger, want Jan Willem Boehmer droeg medeverantwoordelijkheid voor de Deltawerken die volgens zijn huidige inzichten ábsoluut geen veiligheid bieden. Integendeel, de Oosterscheldekering bijvoorbeeld. Die mag niet meer dicht van Boehmer vanwege het zettingsvloeiingsgevaar. De 77-jarige Hagenaar was indertijd hoofd research van de fundering van de Oosterscheldekering en van de dijken, oever- en dijkvallen in het rampgebied, Hij was onderdeel van een systeem waarin fatale fouten waren geslopen, waardoor er nu nog duisternis heerst in de toen ontstane tunnelvisie. STELLING De gepensioneerd ingenieur beseft ten volle dat het confronterend is voor de nabestaanden van de slachtoffers en allen die wonen in het gebied dat eertijds ten onder ging in golven en 5 die zich nu veilig wanen achter waterkeringen als hij de stelling poneert: “Hoe hoger de dijken, hoe groter de ramp.” “Als er twee meter water in een polder komt te staan, verdrinkt ‘maar’ tien procent van de bewoners. Als de dijken een halve meter hoger worden gemaakt en ze breken weer te vroeg waardoor de polder volloopt tot de kruin van de dijk dan staat er 2,5 meter water. Het effect zal dan zijn dat de helft van de bewoners omkomt door verdrinking. Vijfmaal zoveel.” Mede daarom maakte de ramp van 1953 honderd keer meer slachtoffers dan de watersnood van 1916 toen het getal van achttien slachtoffers al aanleiding was voor de toenmalige regering om een Deltaplan voor de Zuiderzee te laten maken. De Afsluitdijk werd er het resultaat van. RECIDIVIST Zoals politiespeurders wroeten in het verleden van verdachten, zo dook Jan Willem Boehmer in de gedragingen van de zee vóór die fatale datum in 1953. Hij ontdekte dat het water een recidivist is zonder weerga. Op zich is dat geen wereldvondst. Wie in de boeken duikt op het gebied van stormvloeden vindt daar de informatie dat ons land talloze malen eerder dan in 1953 werd getroffen door soortgelijk geweld, veelal ook met dramatische gevolgen. Zie de lijst achterin. Jan Willem Boehmer stelde echter wel iets vast waar eerder - en nu nog altijd - geen acht op werd en wordt geslagen. De zee heeft in de maan een in kracht niet te onderschatten medepleger. Met het geheugen van een computer somt de ingenieur in ruste de data op van eerdere overstromingen, met een opmerkelijke overeenkomstigheid: ze ontstonden níet bij hoge springvloed, ook wel Hoogspringtij, HST of H genaamd, bij Nieuwe Maan; als de maan en de zon aan dezelfde kant van de aarde staan, zoals – volgens hem - altijd uit pure gemakzucht en zonder onderzoek wordt gedacht. Uit een door Boehmer samengestelde rij watersnoodrampen in de afgelopen eeuwen, komt naar voren dat juist bij Doodtij, ‘Neap Tide’ of ‘NpT’ of N, bij Halve Maan, het land het vaakst in een dodelijke wurggreep van het water kan komen. En dat maar in één derde van de dijkdoorbraakvloeden sprake is van ‘Springtij’, bij Laagspringtij dus of ‘LST’of ‘L’, bij Volle Maan, als zon en maan niet aan dezelfde kant van de aarde aan het oppervlaktewater trekken. Hij zegt: “Oordeel op grond van de elf dijkdoorbraakvloeden in 222 jaar Rijkswaterstaat; 1808L, 1825L, 1877L, 1881N, 1883N, 1889N, 1894N, 1906L, 1911N, 1916N, 1953L en 2012N. Vijf keer L of Laagspringtijvloeden en zeven keer N of Doodtijvloeden.” “Van de 66 dijkdoorbraakvloeden sinds 1014 zijn er 22 bij Laagspringtij en 44 bij Doodtij; 22 bij Eerste Kwartier en 22 bij Laatste Kwartier en nul bij Hoogspringtij. Dat is géén toeval, maar keiharde statistiek! Op basis waarvan de volgende watersnood is te voorspellen.” 6 Tel daarbij op dat de zee zich niet anders gedraagt dan het verwende kind uit het begin van dit verhaal dat schreeuwt om aandacht, een vinger krijgt toegestoken, maar pas tevreden is als het de hele hand heeft gepakt. Die vergelijking geprojecteerd op de delta waarin wij leven maakt duidelijk dat iedere baggerklus het water zal stimuleren tot het opeisen van nóg meer ruimte. De mens is dan ook degene, zo concludeert Jan Willem Boehmer, die de vloek van de zee en de maan over zichzelf heeft afgeroepen. “Als in de afgelopen eeuwen - en in het bijzonder na de watersnoodramp van 1953 - kritisch was gekeken naar de omstandigheden waaronder die rampen waren ontstaan, hadden we nieuwe kunnen voorkomen.” De mens heeft naar de overtuiging van Boehmer in deze niet alleen gefaald; het is nóg erger. STAATSGEHEIM “Verdomme, de nabestaanden hebben bijna zeventig jaar na de watersnoodramp van 1 februari 1953 toch zeker recht om eindelijk te weten wat er écht is gebeurd?!” De deskundige in de grondmechanica herhaalt de eerder in dit verhaal gebruikte zin met zoveel fanatisme dat buitenstaanders in de publieke ruimte waar het gesprek plaatsvindt, ervan opschrikken. Het volgende woord spreekt hij uit als iets vies. “Staatsgeheim.” “Kan je je het voorstellen? De watersnoodramp van 1953 is behandeld als staatsgeheim. Drees, die toen premier was, heeft gehandeld als een dictator. Later, in zijn memoires - ik heb ze er op nagelezen - ging het alleen maar over de Tweede Wereldoorlog. De watersnoodramp kreeg geen enkele aandacht.” “Het werk van de Deltacommissie moest geheim blijven. In het parlement was er welgeteld één Tweede Kamerlid dat zich hiertegen verzette. De publieke tribune was op wat Zeeuwen na zo goed als leeg. De pers slikte de doofpot als zoete koek. Ik heb er alle kranten uit die tijd op nagelezen. Alleen De Telegraaf was kritisch.” Boehmer pakt er het boek ‘De slag om de Oosterschelde’ van auteur Paul Schipper uit 2008 bij. Hij citeert met luide stem een zin op pagina 126: ‘Het werk van de Deltacommissie blijft staatsgeheim.’ “Intrigerend, niet? En waarom?” “Niemand die het weet.” Deze en tal van andere ‘verborgen signalen’ vormden voor Jan Willem Boehmer de uitdaging om door te gaan met onderzoek en het blijven stellen van vragen. Zijn doortastendheid werd uiteindelijk beloond. 7 Een deel van de verborgen staatsgeheimen spoorde hij op in de bibliotheek van de Technische Universiteit in Delft. Hij mocht ze tot zijn niet geringe verbazing zo meenemen. Het was een stimulans om verder te werken aan de opheldering van wat er werkelijk gebeurde in die bewuste nacht ook het leven kostte aan 26 Belgen, 307 inwoners van het Verenigd Koninkrijk en 224 opvarenden van schepen op zee. NATUURRAMP De watersnoodramp van 1 februari 1953 was volgens de officiële geschiedschrijving ‘een alles overstijgende natuurramp met wateroverslag van dijken tot gevolg’. “Een lezing die altijd door Drees is onderschreven,” zegt Boehmer. Hij heeft echter aanwijzingen dat de premier ‘zeer welmogelijk heeft geweten dat het verhogen van dijken en dammen níet veiligheidsbevorderend werkt, maar liet het ophogen niettemin toch uitvoeren.” Ook hier is de vraag: Waarom? “Om de Belgen te vriend te houden? Door het verhogen van de dijken kon de voor de haven van Antwerpen levensader Westerschelde openblijven. Hetzelfde gold natuurlijk voor Rotterdam, waar ze ook niet zaten te wachten op sluizen in een afgesloten Nieuwe Waterweg.” THEORIE Op de internetencyclopedie Wikipedia valt te lezen dat een stormvloed aan de kust extra gevaarlijk kan zijn als hij samenvalt met vloed, of nog erger, met een springvloed, het tweewekelijkse getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dat geldt nog altijd – wederom in de officiële geschiedschrijving - als de theorie achter de oorzaak van de watersnood van 1953. Jan Willem Boehmer vindt het de allerhoogste tijd dat die zogenaamde waarheidsvinding wordt bijgesteld. ORKAANKRACHT Op zaterdag 31 januari ’53 stond er bij de Orkney-eilanden boven Schotland een storm met orkaankracht. Deze noordwester ontwikkelde zich in de loop van de dag over de volle lengte van de Noordzee en stuwde het water in de zuidelijke trechtervorm tot recordhoogte. Het stormveld was langgerekt en kwam uit noordwest tot noord, de gevaarlijkste richting. De dijken in het deltagebied begaven het op veel plaatsen. Een groot deel van de provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en delen van West-Brabant liepen onder water. De grootste ramp sinds 1570, de derde Allerheiligenvloed, was een feit, aldus de weergave in Wikipedia. Jan Willem Boehmer zat bij het losbreken van de storm op die 31e januari met zijn vader en twee oudere broers in de kerk. De dienst kreeg een ander karakter dan normaal toen de 8 dominee van de kansel een oproep deed aan sterke mannen om in verband met de harde wind zo snel mogelijk naar Oostvoorne te gaan ‘om de Brielse Maasdam veilig te stellen’. “Mijn broer van twaalf ging toen naar Oostvoorne en kwam ’s avonds opgewonden thuis met de boodschap. ‘Ik heb meegeholpen de Brielse Maasdam te redden van het wegzinken in drijfzand en uitvloeien in zee door takkenbossen in de bres te gooien en ze te verzwaren met zandzakken en stenen. Er waren driehonderd vrijwilligers. De vrachtwagens die alles aanvoerden zakten weg in het drijfzand’.” “Mijn broer van elf ging met vader mee naar de 68 meter hoge toren van de Domkerk in Brielle. Behalve huisarts was pa ook hoofd van de burgerbevolking. Hij klom onmiddellijk op de kerktoren om overzicht te hebben van wat er aan de hand was.” “Toen mijn tweede broer thuiskwam, was ook hij opgewonden. De dijken van Rozenburg aan onze kant van de Nieuwe Waterweg en van Maassluis aan de overkant waren aan de binnenkant bezweken en aan de buitenzijde nauwelijks beschadigd. Na een doorbraak stond het water in de polder heel hoog, terwijl het in de Nieuwe Waterweg juist laag stond.” “Pas 58 jaar later,” zegt Boehmer, “begreep ik hoe dat kon, toen ik de staatgeheim gehouden stukken las en daaruit kon opmaken dat er een ‘vroege doorbraak’ was geweest.” “Als jongst aanwezige van de kinderen, ik was pas negen, werd ik na de kerkdienst naar huis gestuurd om mijn moeder te vertellen waar iedereen naartoe was en wat er mogelijk dreigde. Een karaktervolle vrouw, die een dokterspraktijk en vijf kinderen gaande hield, een mens dat met handen potten kon breken, mocht dat noodzakelijk zijn.” “Ik had haar nog nooít zien huilen. Dat deed ze wel toen ik thuiskwam. Ze had toen al telefonisch gehoord dat er in Zuidland patiënten door verdrinking waren omgekomen. ZEE EN MAAN In 2011 kwam Jan Willem Boehmer op het spoor van de tot dan toe staatsgeheim gehouden getuigenverslagen van de ramp van 1 februari 1953. De Deltacommissie had er nooit kennis van kunnen nemen bij haar onderzoeksopdracht naar de oorzaak. Aan die gang van zaken verbindt Jan Willem Boehmer maar één conclusie: “De onderzoekers zijn bewust op het verkeerde been gezet door de commissie Stiekem van de eigen overheid, ingesteld onder Drees begin jaren vijftig uit angst voor de communisten in de Tweede Kamer.” ‘De politiek’ liet al eerder steken vallen, oordeelt de onderzoeker, te weten na de watersnood van 1906. “Het Tweede Kamerlid dr. Cornelis Lely – ‘de vader’ van de Afsluitdijk – drong na die ramp aan op een dijkentoets. Drees was in die dagen griffier en uit hoofde van die functie moet hij goed op de hoogte zijn geweest van wat zich op waterstaatkundig gebied afspeelde. Ze hebben het er lelijk bij laten zitten. Geen enkele moeite gedaan om lering te trekken uit de gebeurtenissen”. “Als er toen …”. 9 “Ja, als men toen de moeite had genomen om te achterhalen wat ik nu weet over de doorslaggevende invloed van de maan, dan had de ramp van 1 februari 1953 wellicht voorkomen kunnen worden…”. GRONDWATERDREIGING De ‘bovenwater’ gekomen stukken in de Goldcase-zaak van de gepensioneerd ingenieur waren uiteindelijk van belang van het voltooien van de legpuzzel, die duidelijk maakt hoe het kon gebeuren dat er al mensen waren verdronken nog vóórdat dijken waren overspoeld en doorgebroken. Die situatie deed zich onder andere voor in ’s-Gravendeel en Stavenisse. Het fenomeen dat een dijk er op het oog nog gaaf uitziet, maar dat feitelijk niet is, schuilt volgens Jan Willem Boehmer in het ‘watergevaar van onderen’, een onderspoelingsverschijnsel waarbij het grondwater van grotere diepte komt dan het geval is bij een zogeheten kwel. “Dijken kunnen uitsluitend door watergevaar van onderen als een plumpudding in elkaar zakken, niet door piping - dat alleen onder beton voorkomt - open barsten of macro-instabiliteit.” “Een aantal jaren terug legde ik die werking uit aan een journalist. Er bestond toen nog geen goed woord voor. Wel een aantal minder duidelijke benamingen. Na de uitleg van het verschijnsel keek de verslaggever mij aan op een manier van ‘Man, doe niet zo ingewikkeld. U bedoelt gewoon ‘watergevaar loert o n d e r de dijken’.” Boehmer heeft inmiddels zélf een woord gevonden dat volgens hem de lading nóg beter dekt: “Grondwaterdreiging.” “Dat verhaal over het watergevaar van onderen stond een tijdje later dan ook in de krant. Er moest natuurlijk commentaar op worden ingewonnen bij deskundigen. Die doen het - onterecht – nog altijd af als piping.” “Het wegglijden door het watergevaar van onderen – de grondwaterdreiging, zoals ik het voortaan maar noem - is iets heel anders dan piping. Het gebeurde in Zaandam en Wilnis, nog altijd tot verbijstering van de wetenschap”, zegt Boehmer met een grijns op het gezicht van genoegen, dat hij er zeker van is wat er toen plaatsvond, terwijl anderen nog steeds in het duister tasten. ONVERANTWOORDELIJK Dat de maanfase in combinatie met de afstand van de maan een hoofdrol speelt bij alle doorbraken in het verleden, zoals Jan Willem Boehmer aan de hand van zijn lijstjes kan aantonen, maakt bij ‘de experts’ nog altijd geen indruk, zelfs niet als op basis hiervan voorspeld kan worden wanneer het weer fout gaat: 25/26 februari 2024. Coldcase-rechercheur Jan Willem Boehmer voelt zich met nadruk verantwoordelijk voor de veiligheid van ons land. Die instelling komt voort uit zijn bijzondere positie sinds 1 juli 1970 van ‘toezichthouder op de vaderlandse dijken voor het leven, in het stroomgebied van Rijn, Maas, Schelde en Eems.’ 10 De gepensioneerd onderzoeker rammelde in die hoedanigheid in de loop der jaren aan vele deuren, zonder enige schroom voor persoon of instantie en met een vasthoudendheid die uit het beton van de Deltawerken gegoten leek. “Vergeefs,” concludeert hij met plaatsvervangende schaamte. “Dat er toen en nu nog altijd niet naar mij wordt geluisterd.” “Dát is mijn vloek.” DOOFPOT Als Jan Willem Boehmer iets níet verweten kan worden, is dat hij heeft gezwegen. Dat hij zijn ontluikende kennis wat er werkelijk gebeurd is in die rampnacht van januari op februari 1953 niet heeft gedeeld met de buitenwereld. ‘De Zeeuwse dijken werden opgetild’, luidde de kop van het verhaal dat journalist en wetenschapper Pek van Andel begin 2012 schreef voor NRC Handelsblad naar aanleiding van een interview met dwarsdenkende oud-medewerker van Rijkswaterstaat en de Deltadienst. Jan Willem Boehmer stelde in het verhaal ‘het vreemd te vinden’ dat zijn bazen bij Rijkswaterstaat hem nooit ter verantwoording hadden geroepen waarom de dijken tijdens de watersnood van 31 januari op 1 februari 1953 met honderden tegelijk braken in de eerste zes uren van de ramp. Uit de krant van toen: “De Tweede Kamer nam destijds genoegen met de verklaring van minister-president Willem Drees en Jacob Algera, minister van Waterstaat, dat de oorzaak een waterstand was die 70 centimeter hóger was dan bij de vorige ramp van 1906. Maar hoe kón dat eigenlijk als de dijken na 1906 één tot anderhalve meter waren verhoogd?” Het bleef stil na de publicatie. TOEZICHTHOUDER Over zijn benoeming tot toezichthouder op de dijken voor het leven vertelt Boehmer: “Ik was net teruggekeerd uit de Verenigde Staten. Daar had ik mij aan het ‘Massachusets Institute of Technology’, het befaamde MIT, bekwaamd in de grondmechanica. Het toeval wilde dat toen ik hier net weer mijn gezicht liet zien er zich een schijnbaar onoplosbaar probleem voordeed.” “Er was in de Auvergnepolder een dijkdoorbraak geweest, zonder dat oppervlaktewater de oever ook maar enigszins had bedreigd. Daar begreep niemand iets van. Ik had wel een idee: zettingsvloeiing.” “Mijn eerder advies inzake de dijkval in Tuindorp Oostzaan in 1960 speelde ook een rol bij de benoeming die mondeling plaats vond en een initiatief was van twee hoofdingenieurs van Rijkswaterstaat: Job Dronkers en Herman Ferguson.” “Dezelfde eer is mij sinds de zomer van 1976 ten deel gevallen in Amerika. Samen met ir. Jan Agema, hoofd van de waterloopkundige afdeling van de Deltadienst, werd ik ingevlogen in Vicksburg bij het Waterways Experiment Station van de US Army Corps of Engineers om de 11 regering en de Environmental Protection Agency te helpen met een studie naar stormvloedkeringen in het plan Mac Namara. Dat gebeurde ter beveiliging van New Orleans tegen Hurricanes, om herhaling van de verwoestingen van orkaan Betsy uit 1965 te voorkomen. WATERWOLF Wat was er in de ogen van deze onvermoeibare onderzoeker in die stormrijke nacht, nu 67 jaar geleden aan de hand als de ramp niét de schuld was van de natuur die met een zeldzaam sterke storm te keer ging, waardoor de dijken overspoelden, zoals de officiële uitleg van de watersnood van 1953 nog altijd wil doen geloven? “De dijk bij ’s-Gravendeel in Zuid-Holland overstroomde níet. Hij was daarvoor te hoog ten opzichte van de waterstand. Zaterdagmiddag 31 januari 1953 tussen vier en vijf liep er al water in de polders, terwijl de keringen nog fier overeind stonden.” “De dijk begon wél langzaam in te zakken als gevolg van een combinatie van factoren: de grondwaterstand – het watergevaar van onderen, of grondwaterdreiging - met daarbij de werking van Laagspringtij en Volle Maan. Bij dit soort rampen is dat een telkens terugkerend patroon. De genadeklap kwam toen de dijk helemaal in elkaar zakte en er vanuit de Noordzee een waterwolf werd aangetrokken. Die enorme vloed werd de achterliggende waterkeringen fataal.” De benaming waterwolf verwijst naar de Haarlemmermeer waar in een grijsverleden dorpen door de zee werden verzwolgen. Ook is er een tijd geweest dat ouders hun kinderen met het imponerende woord bang maakten voor het water. COMA De tunnelvisie bij Rijkswaterstaat werd al even aangekaart. Jan Willem Boehmer maakte als ingenieur in de grondmechanica jaren deel uit van de dienst die door eigenzinnig optreden al vaker een staat binnen de staat is genoemd. Terugkijkend op die periode oordeelt hij: “We zijn daar bij Rijkswaterstaat collectief in coma geraakt. Onnodig, want er was een goede leidraad. Een gedegen studie van TNO had aan de werkzaamheden ten grondslag kunnen liggen, met een duidelijke visie om de zeearmen af te sluiten. Nota bene gemaakt in opdracht van minister-president Willem Drees en minister Jacob Algera van Verkeer en Waterstaat.” Het onderzoek van TNO werd genegeerd. De Westerschelde en de Nieuwe Waterweg moesten immers, hoe dan ook, open blijven.” Maar er speelde nog iets anders. “Drees had economie gestudeerd. We weten allemaal dat hij de man was die het stelsel van de AOW heeft bedacht, om ouderen een financieel betere oude dag te bezorgen. Dat moest natuurlijk wel betaald kunnen worden. De begrotingscijfers van destijds boden daar bepaald geen perspectief voor.” 12 “Het is zeer wel denkbaar,” zegt Boehmer, “dat zich tussen de protestantse Drees en zijn katholieke minister van binnenlandse zaken, Louis Joseph Maria Beel, binnenskamers een strijd heeft afgespeeld hoe het beschikbare geld moest worden uitgegeven. Beide opties, dat was onmogelijk. Er moest een keuze worden gemaakt.” “Het afsluiten van de zeearmen en het bouwen van sluizen voor de scheepvaart was de allerduurste mogelijkheid. Daarmee zou het bekostigen van de AOW direct kopje onder zijn gegaan. Er werd dus gekozen voor de economie. Níet voor de veiligheid. Dat had tot gevolg dat de riviermondingen open bleven en de dijken omhoog gingen.” Volgens Jan Willem Boehmer een peperdure vergissing. Door de sterke groei van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in de afgelopen decennia is het huidig te begroten schadebedrag van een stormvloedramp dienovereenkomstig gestegen . Hij schudt de vergelijkende cijfers van toen en nu zo uit de mouw. Asof het een rekensom van de basisschool betreft. De uitkomst doet schrikken. Ons land moet er op rekenen bij een volgende overstroming voor zeker duizend miljard het schip in te gaan. De cijfers in detail staan achterin. KUSTVERDEDIGING Noord-Hollander Piet van Noort – bekend van de internetsite kustverdediging - woont bij Petten en is bezorgd over de mate van bescherming die de Hondschbossche- en Pettermer Zeewering bieden aan de bewoners van het achterland. Hij gelooft stellig in de theorieën van Jan Willem Boehmer en pleit naar aanleiding van diens bevindingen voor een studie naar alle krachten die een rol spelen bij de explosie van grondwater, waardoor dijken veranderen in drijfzand, instorten, overstromen en dan pas breken om als een modderstroom de achterliggende polder in te spoelen. “Ik geloof stellig dat Boehmer gelijk heeft als hij stelt dat dit in 1953 in het Zuid-Hollandse ’sGravendeel het begin vormde van de watersnoodramp. Dat hij ook ontdekt heeft dat dit om tien over tien ’s avonds gebeurde. Op dat moment viel de elektriciteit uit.” Van Noort: “Naspeuring leerde deze onderzoeker tevens dat het eerste slachtoffer al was te betreuren voordat er water over de dijk was gestroomd. Het ging om een vrouw die bij haar vee in de stal was. Het gebouwtje zakte weg in drijfzand. Dat werd haar fataal.” “Boehmer heeft ook gelijk als hij stelt dat er na het breken van de eerste dijk zo’n waterwolf ontstond dat andere dijken hier niet tegen bestand waren.” “Om tien over tien, toen het misging, was het Doodtij en geen Hoog Springvloed, stelde Boehmer vast. Dat wijst er op dat de maan aantrekkingskracht heeft op het grondwater. Een groot risico voor dijken.” Piet van Noort resumerend: “Aardgetij, atmosferische- en biometrisch getijden beïnvloeden dus de zandkorrelspanning, de waterspanning en de schuifspanning in een dijk. Ze kunnen er de oorzaak van zijn dat de verdedigingswerken bezwijken.” 13 VERLEDEN Terugblikkend op het verleden heeft Jan Willem Boehmer een aantal opmerkingen: “De doelbewuste fouten in het verslag van Rijkswaterstaat over de watersnoodramp van 1953 moeten worden herschreven. Hoofdingenieur-directeur Johan van Veen en Pieter Wemelsfelder waren daarvoor verantwoordelijk. Hen kan worden aangerekend dat de honderden doden van de ramp van 1953 te wijten zijn aan het verkeerde reken- en modelproevenbeleid en het volledig gebrek aan kennis van dijkdoorbraken bij Rijkswaterstaat- zelf en het Waterloopkundig Laboratorium in de jaren 1930 tot en met 1953.” Jan Willem Boehmer stelt vragend: “Is nader onderzoek naar de onderschatting van de oorzaak van de dijkdoorbraken van 1953 niet een directe verantwoordelijkheid van Marjolein Haasnoot die zich in opdracht van het kabinet speciaal verdiept in zeespiegelrijzing en klimaatverandering?” TOEKOMST Kijkend naar de toekomst, wil Jan Willem Boehmer dat er wordt ingegrepen in de in zijn ogen verkeerde manier waarop nu de strijd tegen het water wordt gevoerd. Hoe kunnen we de vloek van de zee en de maan de baas worden? “Immers,” stelt hij, “het ophogen van dijken en het uitdiepen van vaarwegen vergroot alleen maar de problemen.” Zijn advies is om de dijkveiligheid als onderdeel te beschouwen van het hele stroomgebied. “Massaal bomen planten bij de bovenloop van de rivieren is de meest effectieve maatregel om de watervloed uit onze buurlanden tegen te gaan, want het gevaar komt zeker niet alleen van de zee, maar ook van de rivieren.” “Wij hadden daar eerder bij Duitsland op moeten hameren. Dan was de bijna ramp van 1995 minder precair geweest. Nederland wil altijd en ook op dit gebied gidsland zijn. Dat leverde in 2012 de krankzinnige situatie op dat onze oosterburen kwamen vragen om de in de Gelderse Poort gedane aanplant weer weg te halen, om het effect tegen te gaan van het opstuwen van het water in de boven-Rijn toen het hier massaal naar beneden kwam.” DOODTIJ EN LAAGSPRINGTIJ De zoektocht van Jan Willem Boehmer om de vloek van de zee en de maan te beteugelen, heeft nu de kennis opgeleverd dat bij het voorkomen van dijkdoorbraakrampen er geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen zee- en rivierdijken. Als belangrijk bewijs voor die stelling dienen de lijstjes die de rechercherende, gepensioneerde ingenieur heeft gemaakt van voorbije rampen. Daaruit blijkt dat álle zeedijkdoorbraken en de rivierdijkdoorbraken van 1809, 1926, 1995 in ons land en die van 2002 en 2013 langs de Elbe in Duitsland, evenals die van de kanaaldijken in Tuindorp Oostzaan (1916), Wilnis (2003), Nieuw-Terbregge (2003) en Stein (2004), uitsluitend plaatsvonden bij doodtij en laagspringtij. 14 Hetzelfde gold voor de treinramp bij Weesp in 1918 met 41 doden en 42 gewonden. Bij het oprijden door de trein van de helling van het station Weesp naar de brug over het Merwedekanaal, het tegenwoordige Amsterdam-Rijnkanaal, verzakte de eronder gelegen dijk over een lengte van negentig meter met voor de inzittenden fatale gevolgen. Als er toentertijd serieus werk was gemaakt om de precieze aard en omstandigheid van dit ongeluk te achterhalen, had de watersnoodramp van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 zeer welmogelijk kunnen worden voorkomen. “We hebben inmiddels ontdekt,” klinkt het waarschuwend uit de mond van Jan Willem Boehmer dat de maan weer heel vervelend gaat doen op 25/26 februari 2024. Dit is afgeleid van het bestuderen van 66 stormvloeden met dijkdoorbraken die altijd gelazer gaven bij een bepaalde kritische combinatie van maanfase, maanafstand en de hoek van de maanbaan om de aarde.” “Deze eeuw al drie keer. Toen de rivierdijken bij Overasselt ‘veel te vroeg’ braken in 1926 (veel te vroeg = zonder dat er eerst water overheen kwam); toen de kanaaldijk bij Tuindorp Oostzaan te vroeg doorbrak op 14 januari 2016, waar dus ook geen water óver de dijk kwam en als laatste van de drie bij de fatale watersnood van 1 februari 1953 waar dijkdoorbraken drie uren eerder plaatsvonden dan dat er water over de dijk kon slaan.” Zinspelend op het corona-tijdperk sluit onderzoeker Boehmer af: “Het blijkt steeds weer dat menselijke invloeden, zoals graven in de buurt van de dijk als een soort virus gaat werken wanneer de maan de in dit verhaal onderzochte invloeden uitoefent. Bijkomend gegeven is dat het merendeel van de dijkdoorbraken, of virussen, toeslaat bij doodtij, 44 van de 66 in de afgelopen duizend jaar.” “Opmerkelijk: niet één dijkdoorbraak bij Hoogspringtij of in de week van Nieuwe Maan. Daarom hadden we in 1995 in het rivierengebied zo’n geluk dat het nét goedging en de Duitsers kort daarvoor langs de Rijn pech.” “Nu wil het toeval dat de maanstanden van 31 januari op 1 februari 1953 worden herhaald op 25 en 26 februari 2024. Dat is nog geen vier jaar meer. Kort voor ingrijpende maatregelen.”

“Met het aanbieden van De Vloek van Zee en Maan en Jan Willem Boehmer aan Rijkswaterstaat – enige weken voor publicatie in de media van dit verhaal - weet het land zich gewaarschuwd. Mits Rijkswaterstaat en andere overheden dit serieus nemen.”

Piet Maandag 27 Juli 2020 at 10:48 am | | Standaard

Geen reacties

(optioneel veld)
(optioneel veld)
Om geautomatiseerde spam in de reacties te voorkomen, moet u deze simpele vraag beantwoorden.
Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.